
Antananarivo, 6 december 2004
Geachte heer directeur van Air France,
Vannacht nog laat ik u weten dat ik goed ben aangekomen met vlucht AF 908 in Madagascar. Uw piloot landde onder applaus van mijn medereizigers.
Niemand die zich nog druk maakte over uw nieuwe huisstijl na de fusie met de Nederlandse KLM. De geschrapte aperitief vóór en de ijdele hoop op een extra koffietje nà de lunch. De slappe boterhammen die we als avondmaal achterin moesten opvissen. Of de gekuifde jobstudenten die uw vertrouwde Amélie Poulains vervingen en zich met geveinsde voorkomendheid haast uitsluitend richtten op de kinderen aan boord.
Maar ik schrijf u vannacht, mijnheer de directeur, omdat ik de slaap niet kan vatten. Omwille van één beeld van deze dag dat ik niet kan verjagen. Het verdringt al uw gemekker –excusez le mot- over mijn veiligheid; het is sterker dan alle gespeelde bezorgdheid van uw lakeien van de balie in Parijs tot bij aankomst in Madagascar.
Deze morgen, aan de scannerpoort voor passagiers en handbagage, zat een medereizigster op een stoel. Ze was zo te zien tegengehouden. Met uitgestoken armen wiegde ze boven haar hoofd zacht heen en weer met haar schoenen in haar handen. Ze probeerde de aandacht te trekken van uw veiligheidsagent die haar verplicht had haar schoenen uit te trekken. Het was alsof ze haar onschuld wilde bewijzen, u overtuigend dat ze alleen maar op reis wilde. De blikken van de rij wachtenden maakten haar verlegen. Maar uw veiligheidsagent was al met de volgende verdachte van vlucht AF 908 bezig en stond met zijn rug naar haar toe. En wij, nog onder verdenking, wij keken toe en wachtten onze beurt af. ‘Als na 11 september een grapje bij controle ongeoorloofd is, hoeveel meer dan niet openlijk protest?’ dachten we.
Mijnheer de directeur van Air France, wij zijn goed aangekomen met vlucht AF 908. Maar vannacht kan ik de slaap niet vatten. Het moet iets anders zijn dan die slappe boterhammen.
Hoogachtend,