vrijdag 23 februari 2007

Mayday, Mayday


Terwijl de hele wereld rouwde om de slachtoffers van een zeebeving en pronkte met televisiesolidariteit is mijn zoon van tien mij ontvallen. Een donderslag bij de heldere hemel van een zaterdagmorgen. De ontbijttafel was nog niet afgeruimd, bij een kopje koffie spelde ik net op de voorpagina van de krant voor mezelf het jongste dodental in Zuidoost-Azië. Juist toen ik bedacht dat die Zweedse strandkloppers en Sri Lankaanse vissers zoveel verder van mijn bed waren omgekomen als vluchtelingen in Oost-Congo, precies toén ving ik de noodsignalen in huis op.

‘Mayday. Mayday.’ En nog eens, maar hoger en scherper: ‘Mayday. Mayday.’ Maar voor hulp was het te laat. Wankelend en stuurloos vloog Nathan met brandende vleugeluiteinden de keuken binnen. Hij probeerde nog heldhaftig de koelkast te ontwijken met een duik naar rechts, zag vóór zich een tafel met een krant en een vader opdoemen, zwenkte met gierende motoren naar links, brutaal speurend of de man achter de krant ook rampen in eigen streek volgde. Uiteindelijk spatte hij tegen de tegelvloer uiteen met de verschrikkelijkste crash ooit door mij gezien op een zaterdagmorgen. Het einde van mijn zoon van tien.

Ik plooide het nieuws over de honderd vijfendertigduizend doden dicht en spoedde mij naar de plaats van het onheil. Zijn bleke hoofd lag met één wang tegen de grond, de vleugels gehavend maar als bij wonder niet afgebroken. Toen de vlammen waren gedoofd en de rook was weggetrokken, stelde ik vast dat sommige stukken van het karkas mogelijks hersteld konden worden. Te beginnen bij de scheur in de broekspijp ter hoogte van zijn rechterknie.

Even legde ik mijn hand op de nog warme wang van mijn zoon. ‘De hulpdiensten komen er zo aan,’ fluisterde ik met een gebroken stem het ogenschijnlijk levenloze lichaam toe. Ik wist geen blijf meer met mijn emoties tot van op de plaats waar eens een cockpit was, de piloot mij vernietigend aankeek en meesmuilde: ‘Ramptoerist’.