donderdag 31 januari 2013

Mees

 
 
Gewoon opschrijven. Getrouw doorvertellen. Zoveel mogelijk tussenruimtes laten tussen de duizend negenhonderd vierenvijftig karakters, voor wat goed, waar en schoon is. Voor dit bericht van een dochter in Rotterdam.


‘Na het avondmaal stapte ik de trappen op naar mijn kamer. Achter de deur van de badkamer hoorde ik een vreemd geluid. Toen ik de deur opende, zag ik de warmwaterkraan van de wastafel sissen en pruttelen en een fijne straal afgeven. Tevergeefs probeerde ik ze dicht te draaien. Ik draaide ook aan de koudwaterkraan, die eerst zoals altijd doldraaide maar ineens toch hevig water begon te spuiten. Ik kreeg ze niet meer dicht. Help! Als bij toeval kwam Jeroen, mijn kotbaas, kort daarna thuis. Ik riep hem en vertelde wat er gaande was. Hij draafde de trappen af om de hoofdkraan af te sluiten.’

'Bedankt,’ zei ik, toen hij voor verder onderzoek naar de badkamer terugkeerde, ‘ik zou niet weten hoe ...’ Hij onderbrak me: ‘En, meid, hoe is het met je? Alle ellende van de jongste maanden wat achter de rug?’ ‘Eh, ...’ lachte ik wat ongemakkelijk.

‘Geloof me,’ ging hij verder, ‘we leven maar een keer. We hebben het voor niets gekregen, dus, waarom er niet iets goeds van maken? Toch?’
‘‘k Zal je wat vertellen. Boudewijn, mijn zoon van veertien, is niet mijn enige zoon. Hij had nog een broertje, maar niet echt. Dat broertje was in de baarmoeder helemaal verkeerd aan het groeien. Mijn vrouw en ik wisten op voorhand dat het fout zou lopen. Boudewijns broertje is uiteindelijk petieterig klein geboren maar na drie uur gestorven.’ - ‘Ik noemde hem Mees. Als een vogeltje dat uit het nest is gevallen.’ - ‘Ik hield Mees al die tijd in mijn ene hand, zo, in het licht van de zon die als bij toeval was beginnen schijnen. Dacht ik bij mezelf: mooi, zo krijg jij nog drie uur lang liefde en zon.’

'Met Jeroen stond ik daar op de overloop, onze ogen vol tranen. Waarna wij allebei in een lach schoten, bij de nog stiller geworden wastafel.’



donderdag 20 december 2012

Overmorgen


Alles vergaat, vroeg of laat. Deze handen. Het roodborstje daarbuiten. De hele planeet, als de zon een rode reus wordt. Alles verstuift. Welke Maya moet mij dat nog leren? Maar vandaag sluimert er in mij ongerustheid dat deze 1954 karakters de laatste konden zijn. Al heeft zo’n apocalyps ook zijn voordelen. Bespaard worden van de komende natte sneeuw en het gedraaf om kerstpakjes. Beter nog: vanaf overmorgen is er niemand meer die nog ontslagen wordt. De oorlogen in Damascus en Gaza zijn voorbij. Armoede is de wereld uit, de bankcrisis en ook de veel te rijken zijn in rook opgegaan.

Maar moeten wij, als het tot die apocalyps komt, dan ook niet alle dierbaars achterlaten?

Juist daarom schrijf ik u nog op de valreep, om u te vertellen wat ik naar overmorgen meeneem in de 21 gram ziel die er van mij –zoals ook van u- zal overblijven. Vooraleer onze lichtgewichten elkaar begroeten, verklap ik u hier de meest precieuze herinneringen die mijn nakende vuurproef willen doorstaan. Wees er voorzichtig mee. Zoals met die van uzelf.

Ik ga op reis en ik neem mee. Een cellosuite. Zeven boeken die ik twee keer las. Zwijgen op drie bergtoppen en bij twee zonsopgangen. Zes omhelzingen en een halve. Vier geboortes. Een vijftal gelukkig onvervuld gebleven dromen. Drie ochtenden in Afrika. Een lied of vijf. De Catalaanse morgen waarop een wijze mij leerde dat wij als een druppel naar de oceaan terugkeren. De stilte die ooit dagen en mettertijd hooguit enkele uren duurde. De stralende ogen en de opgestoken duimen van mijn eerstgeborene, toen ze na de operatie (die eerst uren en daarna dagen scheen te duren), uit de ontwaakruimte werd gereden.

Die 21 gram neem ik mee naar ik weet niet waar, met ik weet niet wie. Al hoop ik wel met u en met de dichteres van wie ik onthield: ‘Alles hebben we te leen gekregen. Het ziet ernaar uit dat wij op het eind niets zullen overhouden. Niets, tenzij het enige protest daartegen: onze ziel.

Tot overmorgen?

donderdag 29 november 2012

Yolo



‘Dat is nu wel het rottigste ***woord dat ik ken,’ vlamt ze tegen haar buurmeisje.

Straks begint in deze sporthal een volleybalmatch. We zitten in de tribune met zes toeschouwers. Ik omwille van mijn thuisspelende zoon, twee mama’s ter ondersteuning van hun zoons op verplaatsing. Daarnet schoven nog drie tienermeisjes op de blauwe zitjes van de eerste rij. Elk met een smartphone in de aanslag; natuurlijk, hoe zouden ze anders ademen? De uitroep van het middelste meisje klinkt net als een smash van de spelers die zich aan het opwarmen zijn. Om de tegenstander op voorhand te imponeren. Met hoorbaar geweld nog geen punten maar al indruk maken. ‘Wélk is dat dan?’ vraagt het buurmeisje. ‘Yolo!’ dreint de ander terug, alsof ze het ***woord met minstens acht o’s zou schrijven.

Hé, denk ik, ik ben toch mee met de tijd van tieners. Daarstraks, aan de huistafel, hoorde ik ‘Yolo’ voor het eerst. Toen ik naar de betekenis vroeg, slingerde een andere zoon, achterovergeleund op z’n stoel, in mijn richting een verveeld ‘papa’, goed voor wel acht a’s. ‘You only live once. Yolo. Heb je hem?’ ‘Een nieuwe Bondfilm? Een ‘pluk de dag’ onder pukkelpoppers?’ renden mijn gedachten in de richting van de tienertijd. Maar rond de tafel steeg er al gegrinnik op (de meest efficiënte manier om vaders bij de tijd te houden, zo gaat de redenering). Yolo is de spreekwoordelijke middelvinger waarmee zielepoten toegeven niet te kunnen verhelpen … zielepoten te zijn. Yolo. Hiërogliefenklanken voor ‘Best dat ik maar één keer leef, zeker?’

De scheidsrechter wijst galant en fluit naar de thuisspeler die klaarstaat voor de eerste opslag. Om zich te concentreren of de anderen te imponeren, laat die de bal enkele keren op de achterlijn stuiteren. Dan gooit hij hem hoog op, springt er naartoe en slaat hem hard naar het veld van de tegenstanders. Maar zijn opslag strandt in het net. Geen van de meisjes merkt het, dankzij de verlichte schermpjes van hun ***phones.

maandag 24 september 2012

#080116572 zkt v/v


Mijn pennenvriend op death row voegde bij zijn jongste brief een oproep aan vrouwen van boven de dertig, om met hem te corresponderen. Totnogtoe had hij genoeg aan de briefwisseling met mij, met Andrea, Kate, Joan, Lydia en Helen. Maar nu wil Rickey -‘ergens in de vijftig’- de actieradius van zijn pen en hart verruimen.

Hij houdt van reizen, picknicken en stranden. Ook voelt hij veel voor Kim Clijsters, Serena Williams en zijn president. Hij wil al schrijvend kennismaken met sterke, onafhankelijke en intelligente vrouwen met een open geest en een goed hart. Ladies die in staat zijn om hem te beoordelen op wie hij is en niet wie hij wás. Word jij die gedroomde pen en dat ideale hart? Dan verzekert Rickey je Gods zegen en in zijn bladzijden een meervoud aan briefwarmte, levenswijsheid en hugs.

Even praktisch nu. Wie Rickey –Afro-Amerikaan en lonely- wil schrijven, bezorg ik het adres. Al bedenk ik nu plots, lezeressen, waarom zou u het tot in Miami zoeken? Natuurlijk ben ik al blij met uw reacties op mijn blogstukjes van achter de tralies van mijn dagelijkse bestaan. Ik houd niet van Kim, noch van Serena, maar bijvoorbeeld wel van Venus en haar president. En lonely? Ja, dat ben ik ook wel eens, ergens in de vijftig.

Waarom schrijft u dus niet gewoon naar mij? Ik die met een blanco strafblad houd van reizen, picknicks en stranden? Mijn pennenvriend verwoordt het zo mooi: ‘You will get to know a good man and a wonderful friend.’ Het bespaart u hele epistels in het Engels, een zoektocht naar een briefomslag, het kleven van een half vel postzegels naar de USA. Waarna uw warmte en interesse tien dagen onderweg zijn naar een ingewikkeld adres in Florida. Rickey’s antwoord doet er daarna minstens zo lang over, nadat hij Andrea, Kate, Joan, Lydia, Helen en mij heeft geschreven.

Denk dus eerst goed na. Ik zal uw respons discreet behandelen. Een stapeltje voor Miami, en eentje voor mij. Nu al een big hug van ons beide.

zondag 12 augustus 2012

Verslingerd



Ze kan haar ogen nauwelijks geloven: ‘Zij ook al. Die daar ook al!’ Met een zak geribbelde, zoute chips en haar man kijkt ze vanavond televisie. Jonge mannen die in Londen naar zwemmedailles klieven maar vooraf als gladiatoren aan de arena worden voorgesteld.  ‘Zie ze uit de coulissen komen: twee hebben oortjes in en drie anderen dragen een koptelefoon!’ Dat interesseert haar man nauwelijks of toch heel wat minder dan wanneer de Olympische Rebecca’s en Alicia’s zich presenteren voor hun vlinderslag of rugslag. Hij schraapt zijn keel en wil zijn vrouw vragen –noblesse oblige voor de grappigste in huis, denkt hij- of dat geen kortsluiting zal geven in het zwembad, als zij plotseling opgewonden de zapper grijpt en het Sporzageluid naar nul knippert. ‘Ik word echt gek van al die kabeltjes en draadjes. Iedereen loopt ermee rond, heel de wereld hangt eraan vast. Zelfs hier in huis kruipen ze uit elke muur, loeren ze naar op te laden gsm’s, kringelen als spaghetti rond de laptops.’ Eerder die week ontstak ze al eens strovuur over het alomtegenwoordige biepen, zoemen, trillen, rinkelen op het werk, op straat, op de trein en nog het meest irritant: thuis.

Als haar man naar haar smaak ook vanavond iets te lijdzaam zoveel ellende aanhoort, geeft ze de lucht in de living een extra stroomstoot: ‘En aan die van ons moet ik alles twee keer zeggen of vragen, eerst off line en daarna rechtstreeks als ze al zo vriendelijk zijn om hun oortjes eruit te halen.’ ‘Die van ons’ zijn hun twee zonen, schijnbaar van ’s morgens tot ’s avonds met golven en stralingen verbonden met de virtuele buitenwereld. Met hun gouden Alicia’s en zilveren Rebecca’s?
Op het scherm hebben de Yannicks en Michaels hun oortjes, koptelefoons en badjas over de stoelen tegenover hun startblokken gehangen. ‘Wil je alsjeblief het geluid terug harder zetten, schat?’ - ‘Dank je.’ Zo horen en zien ze net op tijd de acht kampioenen in het water duiken, na de zoemtoon.