maandag 24 september 2012

#080116572 zkt v/v


Mijn pennenvriend op death row voegde bij zijn jongste brief een oproep aan vrouwen van boven de dertig, om met hem te corresponderen. Totnogtoe had hij genoeg aan de briefwisseling met mij, met Andrea, Kate, Joan, Lydia en Helen. Maar nu wil Rickey -‘ergens in de vijftig’- de actieradius van zijn pen en hart verruimen.

Hij houdt van reizen, picknicken en stranden. Ook voelt hij veel voor Kim Clijsters, Serena Williams en zijn president. Hij wil al schrijvend kennismaken met sterke, onafhankelijke en intelligente vrouwen met een open geest en een goed hart. Ladies die in staat zijn om hem te beoordelen op wie hij is en niet wie hij wás. Word jij die gedroomde pen en dat ideale hart? Dan verzekert Rickey je Gods zegen en in zijn bladzijden een meervoud aan briefwarmte, levenswijsheid en hugs.

Even praktisch nu. Wie Rickey –Afro-Amerikaan en lonely- wil schrijven, bezorg ik het adres. Al bedenk ik nu plots, lezeressen, waarom zou u het tot in Miami zoeken? Natuurlijk ben ik al blij met uw reacties op mijn blogstukjes van achter de tralies van mijn dagelijkse bestaan. Ik houd niet van Kim, noch van Serena, maar bijvoorbeeld wel van Venus en haar president. En lonely? Ja, dat ben ik ook wel eens, ergens in de vijftig.

Waarom schrijft u dus niet gewoon naar mij? Ik die met een blanco strafblad houd van reizen, picknicks en stranden? Mijn pennenvriend verwoordt het zo mooi: ‘You will get to know a good man and a wonderful friend.’ Het bespaart u hele epistels in het Engels, een zoektocht naar een briefomslag, het kleven van een half vel postzegels naar de USA. Waarna uw warmte en interesse tien dagen onderweg zijn naar een ingewikkeld adres in Florida. Rickey’s antwoord doet er daarna minstens zo lang over, nadat hij Andrea, Kate, Joan, Lydia, Helen en mij heeft geschreven.

Denk dus eerst goed na. Ik zal uw respons discreet behandelen. Een stapeltje voor Miami, en eentje voor mij. Nu al een big hug van ons beide.

zondag 12 augustus 2012

Verslingerd



Ze kan haar ogen nauwelijks geloven: ‘Zij ook al. Die daar ook al!’ Met een zak geribbelde, zoute chips en haar man kijkt ze vanavond televisie. Jonge mannen die in Londen naar zwemmedailles klieven maar vooraf als gladiatoren aan de arena worden voorgesteld.  ‘Zie ze uit de coulissen komen: twee hebben oortjes in en drie anderen dragen een koptelefoon!’ Dat interesseert haar man nauwelijks of toch heel wat minder dan wanneer de Olympische Rebecca’s en Alicia’s zich presenteren voor hun vlinderslag of rugslag. Hij schraapt zijn keel en wil zijn vrouw vragen –noblesse oblige voor de grappigste in huis, denkt hij- of dat geen kortsluiting zal geven in het zwembad, als zij plotseling opgewonden de zapper grijpt en het Sporzageluid naar nul knippert. ‘Ik word echt gek van al die kabeltjes en draadjes. Iedereen loopt ermee rond, heel de wereld hangt eraan vast. Zelfs hier in huis kruipen ze uit elke muur, loeren ze naar op te laden gsm’s, kringelen als spaghetti rond de laptops.’ Eerder die week ontstak ze al eens strovuur over het alomtegenwoordige biepen, zoemen, trillen, rinkelen op het werk, op straat, op de trein en nog het meest irritant: thuis.

Als haar man naar haar smaak ook vanavond iets te lijdzaam zoveel ellende aanhoort, geeft ze de lucht in de living een extra stroomstoot: ‘En aan die van ons moet ik alles twee keer zeggen of vragen, eerst off line en daarna rechtstreeks als ze al zo vriendelijk zijn om hun oortjes eruit te halen.’ ‘Die van ons’ zijn hun twee zonen, schijnbaar van ’s morgens tot ’s avonds met golven en stralingen verbonden met de virtuele buitenwereld. Met hun gouden Alicia’s en zilveren Rebecca’s?
Op het scherm hebben de Yannicks en Michaels hun oortjes, koptelefoons en badjas over de stoelen tegenover hun startblokken gehangen. ‘Wil je alsjeblief het geluid terug harder zetten, schat?’ - ‘Dank je.’ Zo horen en zien ze net op tijd de acht kampioenen in het water duiken, na de zoemtoon.

donderdag 21 juni 2012

Navelstaren



Het oudste spoor van mijn lijf en leden is in opspraak. Het fossiel van mijn prehistorie, de schroeivlek van de take off in mijn kringloopruimte, de enige plek waardoor ik onomwonden moet toegeven niet van engelen af te stammen eist deze dagen aandacht op. Terwijl ik al ruim een halve eeuw probleemloos leef met mijn bukepitje, zoals mijn geliefste dat zo mooi veroostendst, ben ik de jongste tijd bezorgd aan het navelstaren.

De huisarts vond dat het tijd werd. ‘Als jij nu niet laat ingrijpen, wordt het alleen maar erger. Vroeg of laat wordt het zelfs gevaarlijk en bij een complicatie verga je van de pijn. Je mag er niet aan denken dat het je overkomt als je in de aap gelogeerd bent.’ Waarmee hij bedoelde: ergens onderweg in Afrika, in al die savannes zonder dokters. Ik was sedert de eerste knip in mijn navelstreng al van minder sprakeloos en snel inschikkelijk.

Van over de oceaan kwam er in de daaropvolgende dagen een mailbericht: ‘Trek het je niet aan, maar geef die toestand een andere naam. De Romeinen zijn daar erg behulpzaam in.’ Sedertdien zit, stap, slaap en ontwaak ik niet langer met een navelbreuk, maar met een hernia umbilicalis. Hernieuwde geboortepijn. Terug naar af. Na al die jaren onafhankelijkheidsstrijd, met eigen hymne en vlag, credo, god en hoofdstad en niet te evenaren pyrrusoverwinningen word ik, kleine zelfstandige in het leven, onontkoombaar aan mijn navelstreng herinnerd. Door een tweede breuk erin word ik verplicht, om verdere uitwassen te voorkomen, mijn rijksgrenzen van een vazalstaat, te erkennen. Dat alles of het meeste te leen gekregen is.

Ik stuur ik u dit bericht als enige kennisgeving. Als ik na de ingreep er weer bovenop ben, ga ik op bezoek bij mijn moeder, de weefster van mijn navelstreng. Om een kopje koffie te drinken, te zien dat de tuin er mooi bij ligt en haar te zeggen dat alles weer in orde is. Om daar de vlag van mijn onafhankelijkheid te strijken, voor een uur of twee.

dinsdag 15 mei 2012

De wereld vergaat en wij mogen erbij zijn



‘We gaan allemaal dood. Met die onrechtvaardigheid willen we niet, maar moeten we wel leven,’ orakelde de danseres in het blauwe pak. Danseressen, hoopte ik nog bij het begin van de voorstelling, dansen. Maar deze niet. Zij sprak, zij doceerde, zij vertelde. Nu en dan danste zij een beetje, als terloops, alsof ze ons wilde geruststellen en tonen dat ze dat kon. De helft van die korte danstijd deed zij bovendien de paar dozijn toeschouwers  in de studio meedansen, mee bewegen. ‘Very well, thank you,’ zei ze daarna, terwijl ze ons scherp aankeek. Dat kon ze goed, ons in de ogen kijken. Met haar blauwe ogen. Ze had ooit –ook dat vertelde ze- na de publicatie van een interview de reporter terechtgewezen: haar indringende ogen waren niet groen, maar blauw.


Na haar ‘very well, thank you’ begon ze vier van haar dansmeesters (dansten die?) te portretteren en stelde ze haar publiek beklijvende vragen. Welke handtekening wij onder onze levens wilden zetten? Of wij onze eigen stem al hadden ontdekt? Misschien waren er daarom die avond drie pauzes. Om na te denken over haar woorden en ons bestaan, bij een glaasje wijn en het programmaboekje.
Twee keer kwam ik uit de pauze met nieuwe hoop. Nu, dacht ik telkens, zal zij haar handtekening onder deze avond zetten. Beelden, figuren, lijnen maken van haar eigen stem. Ze zal dansen, doen waarin zij, naar horen zeggen, uitblinkt. Tonen waarvoor wij gekomen waren. Maar na de eerste pauze liep ze als achteloos langs de muren van de studioscène, controleerde ze de knop van de verwarmingsinstallatie, probeerde ze een cassetterecorder, rolde een gordijn naar beneden. En ze vertelde. Na de tweede pauze liet ze zich door een toeschouwer interviewen over diamanten, krijgsheren en de illusies die mannen en vrouwen scheppen met diamanten.

Onder de derde pauze spoedde ik mij naar de laatste trein naar huis. Terwijl de danseres, misschien, uitverteld was en danste.


zondag 18 maart 2012

沈黙


Enkele ogenblikken vóór de minuut nationale stilte om de plotsklapse dood van achtentwintig landgenoten. Twee grote camera’s op drievoeters focussen op een benedenplatform aan de perrons van het Antwerpse Centraal Station. Daar zitten scholieren op een zwarte, arduinen bank. Op de grond liggen tekenbladen met namen en woorden. Troost op papier gezet. Een reporter met een oranje micro haalt grapjes uit met zijn geluidsassistent, nu de camera’s nog niet draaien en de beste kijkers nog niet inschakelden.
Als door een toevallige samenloop –‘Is hier iets te doen?’- houden enkele vrouwen, dan een jong koppel en daarna nog drie mannen halt rond de opengroeiende plek in het midden van de stationshal. Ook op de bovenverdieping, waar ik sta, blijven mensen haperen, leerlingen van een andere school leunen over de metalen reling. Fotoapparaten duiken op. Eén voor elf, zestien maart tweeduizend en twaalf. Er is nog gezucht van een paar treinen te horen. En geroezemoes, zacht gegalm uit de aders van dit station.
Alsof wij allemaal op haar staan te wachten stapt een Japans meisje in de lege plek van de zich opmakende stilte. Ze draagt op haar zwarte, lange haren een briljantrode, gebreide muts die bedoeld achteloos over haar hoofd hangt. In de linkerhand houdt ze met drie vingers een dikke leespocket omhoog, nu ze in haar lectuur verrast onderbroken werd door de gsm in haar rechterhand. Ze praat met de overkant van de lijn, kijkt rond, zoekt een uitweg of een aanduiding. Maar zo merkt ze de toenemende stilte, de tijdelijk samentrekkende wolk van verslagenheid rond zich niet op. Ze ziet, ze hoort de blikken niet: ‘Kinderen van hier, meisje.’ ‘Die nog wilden lezen, sms’en, reizen en mooi zijn zoals jij.’ Ze draait een, twee keer op haar hielen en vindt een pad doorheen het cordon triste. Terug naar af. De lege plek herstelt zich, voor even, tot wanneer onder dit immense rode, overwelfde decor een stem opnieuw de vertrektijden aankondigt.